Het rijk van Kronos – deel 3

 

Derde nacht – zondag 27 december 2020

 

Choram pakte de draad weer op.

“Het ritme dat we gisteren besproken, van de 12 en de 13, en hoe die samen tot uitdrukking komen in de klok, is wellicht het eerste belangrijke ritme dat de mens ontdekte vanaf het moment dat hij hier op aarde rondliep.
Hij heeft dat het eerst opgemerkt door de observatie van het gedrag van de maan.

De zon heeft ook haar eigen ritme.

Zij laat haar licht schijnen over de dag en trekt zich daarna terug in het donker van de nacht. Eén omwenteling rond haar as is daar de oorzaak van.

 

 

De maan heeft een ander ritme dat veel meer uitgesproken is en ook veranderlijker in haar uitingsvorm waardoor het sterker opvalt.
Daarbij komt dat de maan rond de aarde draait en daardoor op een bepaalde manier bij de aarde hoort.
Alle oude culturen hebben een veel sterkere band onderhouden met de maan dan met de zon.
Niet in de laatste plaats omdat de vrouwen heel snel ontdekten dat hun eigen menstruatiecyclus gelijke tred hield met de cyclus van de maan.
Vind je het vreemd dat zij, de maan, daardoor een bijna goddelijke status kreeg bij vele volkeren en in direct verband gebracht werd met schepping, vruchtbaarheid, groei en ontwikkeling en alle vormen van geboorte.
Bij de heel oude cultuurvolkeren kende de sjamaan de juiste periode van vruchtbaarheid door zijn kennis van de cycli.

Het is namelijk zo dat bij de geboorte van een mens er sprake is van een bepaalde stand aan de hemel van de zon en de maan. Deze constellatie, bv een stand tussen beide van bv. 90 graden, eerste kwartier heet dat dan, deze stand komt elke maand weer terug en laat het nu uitgerekend deze stand zijn die maakt dat de vrouw later in haar leven op dat specifieke moment haar eisprong heeft. Elke vrouw heeft zo haar eigen maanfase als het ware. En elke maand als die fase als het ware aan haar deur klopt, ovuleert zij en heeft zij een kans om bevrucht te worden.

Deze sterk op de maancyclus afgestemde maan(d)stonden zijn door de eeuwen heen compleet verstoord geraakt naar mate de mens de relatie met de hem omringende natuur verloor en zich almaar meer hulde in compleet tegennatuurlijke ritmen veroorzaakt door allerlei vormen van verlichting die ingezet werd tijdens duistere perioden en de invloed van allerlei vormen van elektromagnetisme hebben er ook geen goed aan gedaan. Maar dat terzijde.

Sedert de allereerste dagen van de tijdswaarneming hebben alle volkeren zich op de maan georiënteerd voor hun tijdsmeting en hun samenstelling van de kalender.

De betrouwbare gezichten die de maan ons toont werden overal dankbaar gebruikt ter oriëntatie.

 

 

Zo bemerkte men al snel dat de maan in één jaar dertien keer een rondje om de aarde draait en daar telkens 27,32 dagen voor nodig had. In één jaar verlopen zo 355 dagen en een beetje.
Ook zag men het andere ritme, dat van de terugkerende volle manen, in een ritme van 29,53 dagen en dat nam 354 dagen en een beetje in beslag.
Het is dat laatste ritme, de synodische omgang van de maan die men algemeen is gaan hanteren, want eenvoudiger vast te stellen, als uitgangspunt voor de tijdsmeting en de kalenders.
Al snel kwam men er achter dat het zogenaamde maanjaar 11 à 12 dagen achterliep op het zonnejaar dat 365 en een beetje duurt (dat is de reden dat bv. het Suikerfeest bij de moslimgemeenschap en de Joodse feestdagen telkens 11 soms 12 dagen naar voren opschuiven een jaar later. Zij hanteren voor hun feestdagen nog altijd de maankalender.)

Door veel volkeren werd dit “probleem” van het tekort van 11 à 12 dagen opgelost door het instellen van een feestelijke periode die het jaar volmaakte en die uiteindelijk via vele omzwervingen tot ons is gekomen als de periode van de Twaalf Heilige Nachten.

En zo ontstond een jaar waarin gedurende twaalf periodes van afwisselend 29 en 30 dagen in totaal 354 dagen werd gewerkt en 11 dagen werd gefeest.

Deze feestdagen werden gebruikt om de verbinding te achten en te vieren. De verbinding die de mens beleefde met de schepping en de daarin werkende ritmen en wetmatigheden.
Dit gegeven evolueerde langzaam tot allerlei systemen waarin deze kosmische verbinding een belangrijke plaats kreeg hetgeen de basis werd voor het ontstaan van allerlei religies, godsdiensten, erediensten, vereringen, cultussen, en de uitdrukking en vormgeving hiervan in talloze rituelen en heilige handelingen, offers, sacramenten, vormen van gebeden enz.

Als je de geschiedenis van de mensheid van de afgelopen 50 duizend jaar beschouwt dan zie je dat culturen en hun religies en godsdiensten komen en gaan en hun typische stempel drukken op de samenleving.
Op dit moment hebben we een samenleving op onze planeet die een enorme diversiteit toont van allerlei religies en daaraan gekoppelde erediensten.
Van eeuwenoud en compleet geïsoleerd levend in oerwouden tot de meest vrijgevochten groeperingen die het Spaghettimonster aanbidden.
Wat zij gemeen hebben is de behoefte aan verbinding, de behoefte dit in allerlei vormen te leven en het enige wat universeel is, is het hanteren van een kalendersysteem dat is gebaseerd op de zon. 

Wat we ook gemeenschappelijk hebben is het gebruik van het getal 12.
De cirkel heeft nog steeds 360 graden. Een uur 60 minuten. En een minuut 60 seconden.
De meter is nog altijd een meter en waar 12 mensen bijeen komen heeft dat vrijwel altijd iets van doen met een dertiende waar alles rond draait.
En zo leven we met zijn allen in een jaar van 365 dagen, doen er af en toe een dag en soms een seconde bij om mooi in de pas te blijven lopen.
We hebben onze twaalf maanden nog. Werken niet langer dan een week.
We weten ook nog wat kwartieren zijn. Maar dat er verder een oerverbinding is met de scheppende krachten en de grote ordenende principes binnen de schepping; deze kennis is ook bij de mainstream religies zo goed als verloren gegaan.

En als we dan ook de klok uitwissen en met digitale getallen door het leven gaan, wat is er dan nog dat ons herinnert aan onze oorsprong. Wat is er nog dat ons dagelijks de oerverbinding toont. 

Hoe worden we nog opgeroepen tot het tonen van onze achting voor. 

Welke klok luidt nog en hoe luid?

Voor wat dan?

 

Daarom ben ik blij dat er nog een mensenkind is zoals jij, die de moeite wil doen de zalen van de Twaalf Heilige Nachten te bezoeken in het Rijk van Kronos.

Choram boog zijn hoofd lichtjes in mijn richting en ik voelde me een beetje opgelaten.
We hebben daar een tijdje in stilte gezeten.
Op een gegeven moment raapte ik al mijn moed bijeen en zei:

“Dus als de wijzers op de 3 en op de 9 staan, onze kwartieren dan heeft dat een relatie met het Eerste en het Laatste kwartier van de maan?”

Choram knikte.

“Ik probeerde verder; die kwartieren laten eigenlijk zien dat de maan haar vier gezichten aan ons toont, zoals de vier kleuren in het kaartspel doen?
Ze is nieuw en niet zichtbaar. Vol en pronkend met het zonlicht dat ze terugkaatst waardoor ze schijnt. Mooi woord trouwens.
En ze heeft twee kwartieren; toenemend en afnemend.
Daarom zitten er in een maand dus 4 weken van zeven dagen. Dertien weken in een kwartaal. Zoals je 13 kaarten hebt van elke kleur. Dertien keer klaveren, schoppen, ruiten en harten maakt 52 kaarten. De weken in het jaar.
Wat een samenhangen!

En dan die kleine wijzer nog. Die elke ronde naar een ander getal, een ander symbool verwijst.
Wat kun je daar niet allemaal over vertellen?”

“Daarvoor gaan we naar een andere zaal. Dat staat morgen op het programma.”

Choram stond op stapte in de richting van de basalten zuil en het daarop liggende uurwerk. Hij maakt een lichte buiging en de zuil zakte langzaam weer de grond in en verdween.

Hij ging mij voor naar de deur en zo kwamen we weer uit in de open ruimte en liepen terug naar de grote ronde tafel. Daar gingen we zitten en we keken elkaar aan.

Hij kijk me lang en doordringend aan en stelde me toen de vraag:

“Wat heeft je het meest geraakt?”

 

 

 

Tot morgen.

 

©     Willem Versteeg

zondag 27 december

 

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: