De zevende nacht van donderdag 31 december

 

 

Zesde Levenspoort

Eenmaal buigen en schouwen.

 

Mira stond bij de zesde levenspoort en keek voor zich uit. 

Ze zag hoe de weg zich kronkelend door een mistig landschap slingerde. 

Ze ervoer een vreemd verlangen om deze mistige omgeving te ontraadselen. Ze boog en begaf zich met vaste tred op het pad. 

Als een vrouw die door het leven rijper geworden was durfde ze de weg steeds meer te vertrouwen om zo stappend aan zichzelf toe te komen. 

Ze droeg in haar rechterhand een kristallen kruikje, dat haar heel dierbaar was. Stappend zag ze om haar heen de mistige sluiers met haar mee bewegen en nu en dan ving ze een glimp op van de opkomende zon die er zich doorheen drong. Het was uitermate stil en het licht leek van fluweel en scheen op spinnenwebben, die spelenderwijs met behulp van een kleine windstoot, druppels van de mist leken te vangen. In deze mysterieuze stilte waarin zelfs de vogels even lijken te zwijgen voelde ze de hartenklop in haar borst die haar stappen leidde. Het leek haar ook dat ze een heimwee in haar gewaarwerd die ze niet direct kon thuis brengen maar die bijna als een soort kompas in haar lichaam werkzaam was.

Zo kwam ze ongemerkt aan in een stukje drassige wei, waar de grond zompig voelde, dat in de buurt van een bosje lag. Ze ervoer, waar ze haar voeten zette, de zachte huid van de mantel der aarde waar ze even op bleef staan om contact te leggen met wat ze ervoer en aandachtig te luisteren. Want ze ving een teder geluid op van opwellend water, dat amper te horen was in deze ietwat vreemde omgeving. De zon werd sterker en de mist begon op te trekken toen ze een plek ontwaarde waar waterkers welig groeide. Ze liep er behoedzaam naar toe. Goed verscholen tussen het frisse groen van watermunt en kers ontvouwde zich voor haar verbaasde ogen een kleine bron die uit de grond opwelde. Een rilling trok door haar lijf en ze hurkte voorzichtig om de bron te aanschouwen. Ze voelde haar hart nog sterker kloppen toen het licht van de zon het water kristalhelder kleurde.  Ze wist niet wat haar overkwam maar de heimwee van daarnet veranderde in een gevoel van herkenning, van thuiskomen bij iets wat ze al heel lang bij zich droeg en nu aanschouwde. Ze gleed met haar vingers door het water en schepte er wat van in de schelp van haar linkerhand en wreef het over haar gesloten ogen. Dit ervoer ze als balsem voor haar ziel. Daarna schepte ze wat water in de schelp van haar rechterhand en dronk een paar slokjes water. Ze proefde de zuiverheid ervan en het maakte haar lichter, alsof ze door van de bron te drinken een last kon afleggen, die ze niet kon benoemen.

Ze vulde daarna haar kruikje, en sloot het goed af met een kurken stop, die ze in haar zak had geborgen voor het geval ze water vond. Het was een voorgevoel dat haar het kruikje en de stop hadden doen meenemen al vond ze het zelf wat vreemd en raar. Maar wat ze nu door het samenvoegen van bronwater, kruisje en stop innerlijk begreep veranderde haar in dit gezegend moment van de dag op die plek.

Ze had haar innerlijk kompas gevonden.
Een mijlpaal op haar weg naar…

 

Voel je ook dat de tijd ons nu bij Mira doet verwijlen omdat wat haar overkomt ons niet onberoerd laat. We kunnen niet doorlopen zonder ook even naar de bron te stappen om het opwellende water te horen en te zien. Maar hoe zit het met het kruikje en de stop? Deed een voorgevoel ze ons ook meenemen alvorens we door de zesde poort stapten. of welde het al op toen we Mira met haar kruikje op de weg zagen lopen. Het maakt niets uit. Dit ervaren is tijdloos en kan met afstemming ook nu worden geleefd met alles wat erbij hoort. Het kruikje en de stop. Of gewoon onze handen waarmee we scheppend kunnen ontvangen als waren ze ons als schelpen uit de zee geschonken. We dragen immers van zowel de zee als de bron de herinnering in ons . Door heimwee gelokt bewegen we ons peilend en tastend op de raaklijn tussen deze twee om onze weg te vinden.

Onderwijl zijn we met Mira in de tijd aangekomen waarin het kaf van het koren wordt gescheid. Door dorsen of wrijven. Naargelang.

Tarwe laat zich dorsen maar spelt niet. Dit moet met meer moeite van zijn harde mantel worden ontdaan dat het als een kleine laag hars om zich heen draagt anders lost het zijn beschermende mantel niet. 

Als iets een mantel draagt dan wil het zijn zuiverheid en kracht zomaar niet vrijgeven. De Vrouwe, zij die van ouds als de beschermster van het koren wordt aanzien draagt heel vaak een mantel, een capella, omdat zuiver en weerbaar een subtiel raakvlak hebben.  

Want na het scheiden van het kaf van het koren wordt graan in een beschermende omgeving bewaard en zo doende weer ommanteld tot we er iets mee gaan doen. Het scheppend verwerken.

Reiniging en zuivering zijn in deze tijd volop aan de orde. Het grote sorteerwerk vóór de winter kan beginnen. Sorteren is meer dan scheiden van. Het brengt ons in contact met het vermogen om te onderscheiden. Zo wezenlijk in tijden van chaos en verwarring waarin je nog amper het bos van de bomen kan onderscheiden. 

Vorm en essentie onderscheiden om niet in de verleiding te komen de vorm voor de essentie te nemen en zo onzuiver waar te nemen waar het nu eigenlijk in het leven om gaat.

De bron die als een spiegel het wezen ontbloot herinnert ons de diepe hunker naar een onbetreden plek waar we zuiver afgestemd, maagdelijk zoals de oude traditie zegt, met een zachte mantel om ons heen geslagen, de naakte kern van de dingen waarnemen en het behoeden.

Als je jezelf nu met de schelp van je hand wat water in de bron ziet scheppen  wat gebeurt er dan met jou?

Waar is de plek in je leven die je maagdelijk kan betreden om beter te kunnen onderscheiden? 

 

 

©        Huguette Beyens.

donderdag 31 december

 

wordt morgen vervolgd

 

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: