De twaalfde nacht van dinsdag 5 januari

 

Elfde Levenspoort.

Eenmaal buigen en schouwen.

 

Midden in haar tuin had Mira een fonteintje waaruit bronwater stroomde.
Ze had haar tuintje zelf in een vierkante vorm aangelegd met in het midden dit krachtig symbool van het levenswater dat haar nauw aan het hart lag. Ze kon uren op een bankje in de zon naar het fonteintje en de bronzen vrouwengestalte kijken die een kruik in de hand hield waaruit het water in de grote arduinen bak vloeide. Door zo te schouwen kon ze de innerlijke stroom aan gedachten en overpeinzingen omzetten in gevoelens die peilden naar de essentie der dingen. De fontein hielp haar deze beweging van boven naar beneden maken, de bedding vinden voor de stroming die het leven in haar in beweging zette. De vrouwe met de kruik hield haar blik op het stromend water gevestigd, alsof ze zo uitnodigde om niet door geestesspinsels aan de oevers van de stroom vast te komen zitten en de beweging van de stroming uit het zicht te verliezen. Het had haar tijd gekost om met de beweging die de Vrouwe maakte mee te gaan. Om het levenswater in haar te wekken dat ze nodig had om uit haar vele levenservaringen datgene te destilleren dat er wezenlijk toe doet om aan je diepste zijn toe te komen. Net zoals de oude alchemist dit deed, die haar geleerd had hoe je moet destilleren en hoe elk onderdeel van dit proces een spiegel is voor je ziel.

Ze zat er nu weer, op een oude stoel uit sterke wilgentakken geweven, die ze reeds dikwijls had hersteld, nadat ze de wilgen aan de rand van haar tuintje snoeide. 

Ze genoot van de eerste warmte van de zon middenin de winter als de vrieskou aan haar oude knoken vrat en ze de lederen met wol gevoerde jas nog nauwer om zich heen sloot. Maar het water in het fonteintje was zo zuiver, zo helder in deze tijd van het jaar. Ze voelde zich door het in zich op te nemen innerlijk helemaal gereinigd. Als een maagd zo rein.

Zo schudde ze letterlijk het stof van de wintermaanden van zich af. Want tijdens de donkere dagen wordt de geest van de mens toch wat duffer en het lichaam strammer en beweging kan de stroming weer op gang brengen. De ziel weet daar alles van.

Even later bezocht ze de bijenkorven in haar tuin en ze legde haar oor te luisteren tegen één ervan. Ook daar was de beweging volop aan de gang. De bijenkoningin had blijkbaar het teken voor de reiniging gegeven en alle bijen werkten samen om het vuil van de korf naar buiten te brengen. Ze vond het een fijn gevoel om te ervaren dat ze op de bijen was afgestemd en dat ze die beweging niet alleen moest maken. Wat is een mens toch goed omringd, dacht ze.  

Het was met een warm gemoed dat ze daarna naar binnen trok, haar vuur met wat sprokkelhout aanporde en de deur achter zich sloot. Ondanks de trouwe steun van haar wandelstok bewoog ze nu veel langzamer. Al bleven haar stappen waardig en goed overwogen. 

Ze droeg ook een lange smalle rieten mand schuin over haar rug en kwam bij de elfde poort aan. Daar boog ze en schreed tot op de drempel van de poort.

Ze zag het landschap zich weids voor haar ontvouwen, als maagdelijk helder in de klaarte van het licht van de zon. Die weidsheid nam haar in beelden mee naar de vergezichten, de diepten en de hoogten, de weg die nu eens naar rechts dan weer naar links liep, rivieren, oevers. Oude, zeer oude en vooral veel jonge bomen, gewassen teveel om te benoemen, bloemen en kruiden. Dan kwamen de dieren in beeld, zo verscheiden, zo kleurrijk en begaafd, die zich doorheen de jaren als haar leermeesters openbaarden. Ze wist heel goed dat een wijze zich ook in een dier kon vermommen. En dat intelligentie niet enkel de mens is toebedeeld.  

En vervolgens zag ze veel mensen over de weg bewegen, ze zag ze ieder op zich even kortbij bij de poort voor een moment van herkenning en dan stapte ze verder op de weg. Vele rijke ontmoetingen met mensen die haar meer mens hadden gemaakt en vooral weerbaarder. Omdat ze in iedere mens ook iets van zichzelf zag gespiegeld. Ze waren haar broeders en zusters, verbonden door samen de weg van het leven te gaan door dik en dun.

Ze ademde diep. Hoe veelzijdig kan het leven toch zijn. 

Ze stapte door de poort en deed enkele stappen op de weg terwijl haar ogen in de omgeving naar afgevallen takken speurden. Ze vond er één, nog één en bukte zich gewillig, zoals ze van de wilgen had geleerd, tot haar mand vol was, ze voldoende gesprokkeld had. Ze deed dit zo wekenlang in deze tijd, als het weer het toeliet en zolang de bomen hun tijd van reiniging leefden. Want ze wilde het vuur in zichzelf en in haar kachel brandende houden. Ze hoefde nu niet meer zoveel te stappen om de wereld in zicht te krijgen. Ze droeg de wereld in zich en stapte innerlijk weidser en verder dan ooit. Met een weids gevoel van verbondenheid.

We zijn met Mira nu in de tijd van de grote reiniging aangekomen. De tijd om af te werpen wat ons niet helpt om tot een klaar zicht op de dingen te komen. Om de eenheid in de veelheid te zien en naar de samenhang te peilen in wat zich als deel van een groter geheel heeft laten zien. De tijd om je van het stof van ervaringen te ontdoen en in jezelf de werking van de reine geest te ontdekken die opwelt in een maagdelijke bron. Belichaamd in de fontein.

Wijsheid laat zich niet vangen, ze is deel van de beweging van het leven zelf. 

Het zijn de lessen van het leven die we destilleren uit wat in ons beweegt als we de beweging zelf leren vertrouwen als de fontein van het leven. De Vrouwe die zwevend over de wateren, haar kruik ledigt en wat dreigt stil te staan met levenswater bevloeit. Vrouwe Sophia. Zij die minnend en gevend de reinheid van geest leeft.

Maak even tijd om wat je afleidt van je af te werpen, zoals een tak die de boom lost om ruimte te scheppen voor.

En open je geest voor deze vraag:

Wat wil zich in mij uitzuiveren?

 

 

©      Huguette Beyens

dinsdag 5 januari

 

wordt morgen voor de laatste keer vervolgd

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: