De laatste nacht voor de twaalfde levenspoort

 

Twaalfde Levenspoort.

Eenmaal buigen en schouwen.

 

Het was erg stil boven in de klokkentoren van het dorp. Enkele meeuwen vlogen in en uit en vulden de lucht met hun schrille kreten. De lucht waarin de late winterzon nog even met de koude stoeide om haar prille warmte te verspreiden werd ijler, alsof je er doorheen kon kijken en de grens tussen hemel en aarde vervaagde. 

Waar bevroren sneeuw was blijven liggen zochten vogels met hun bek naar de eerste barsten in de sneeuwmantel om de eerste kopjes groen gras in te pikken. De winter was bijna aan zijn laatste adem toe en loste meer en meer zijn ijzige greep op de velden en rivieren die hun stroming door smeltend ijs versnelden. De dieren die een tijdje zich met welbehagen aan de slaap overgaven begonnen te ontwaken en hun nest schoon te maken. 

Er moest plaats worden geruimd voor.

Enkele meeuwen vlogen naar het strand aan de zee, waar anderen samendromden om hun samenhorigheid te delen. Meeuwen horen nu eenmaal bij elkaar, zo hebben de oudere meeuwen het hun geleerd.  

Slechts één enkele meeuw durfde de groep te verlaten om zich in nieuwe gebieden te wagen. Alleen. 

De zee was weidser dan ooit in de winter, vooral als de luchten ijler worden en de horizon als een dun streepje bijna versmelt met een groter geheel waarvan de eenzame meeuw ook deel wordt. 

Nu en dan, bijna onmerkbaar, bereikte de geur van de zee door een zeebriesje de klokkentoren en versmolt daar met het stof van de jaren en de sluimerende donkerte. In het dorp kwamen de eerste visboeren aan om hun waar te verkopen. Het uur van de middag naderde en de eerste mensen bewogen over de kleine markt in de buurt van de toren. 

Net als de meeuwen houden ook de dorpsmensen van samenkomen, bij elkaar horen, met hetzelfde bezig zijn. 

Toen de geur van de verse vis zich door het dorp verspreidde was er geen houden meer aan. Het was alsof op deze wijze de zee de huizen binnendrong. De mensen van het kustdorp droegen de herinnering aan haar diep in hun vezels. Zij die in haar diepten de neerslag van het leven van vroegere tijden bewaart, waaruit uiteindelijk alle leven is ontstaan. 

Zoals ook de aarde ooit uit haar schoot is aangespoeld. Er is niets wat ooit is geleefd, gewaagd, geweten dat niet op de bodem van de zee ergens een merkteken laat.

De dag schreed naar het middaguur. De stemmen van de mensen werden luider. Een meeuw wekte met een luide schreeuw de dromende Mira, die moeite deed om haar ogen te openen en daarna verbaasd om zich heen keek. Ze zag de twee klokken hangen in het licht van ragfijne zonnestralen, die tastend binnendrongen en de groene tinten van hun dikke huid blootgaven. 

Waar was ik ook gebleven vroeg zij zich af. Ze zag het rode boek in haar schoot openliggen en haar rechterhand die klaar was om een volgende bladzijde om te slaan. Maar nu zag ze ook dat haar handen gerimpeld waren. Ze schrok even, betastte met haar beide handen haar gelaat en voelde de diepe rimpels. Hoeveel tijd was er voorbijgegaan sedert ze hier met Mahmoud…

Oh, Mahmoud, drong het ineens scherp tot haar door. Waar was Mahmoud gebleven?  

Ze keek nu met meer aandacht rond en zag op een oude houten koffer zijn rode hoed liggen als een stille getuige, wachtend op herkenning. 

Van de hoed gleed haar aandacht naar de mantel die ze om zich heen droeg. Hij leek op de mantel van Mahmoud die niet meer zwart was gekleurd maar blauw. Ze voelde tegelijk weemoed en verwondering en begreep iets waar ze geen woorden voor had. Zij was al die tijd dat ze doorheen het boek had gebladerd ouder geworden en Mahmoud was nu op een heel andere wijze aanwezig dan voordien. Een traan verscheen in haar ooghoeken en ze liet met haar tranen ook het gevoel toe dat zij zoveel van hem had geleerd en dat dit nu op dit moment van afscheid nemen volledig tot haar doordrong. 

Alsof ze door hem en door het boek, dat hij met haar had gedeeld, haar leven in een heel ander perspectief had geleefd.

Ingebed in de grotere samenhang en orde der dingen.
Ze ademde diep, trok de mantel wat dichter tegen zich aan en sloeg met trillende hand nog een bladzijde van het boek om.
En toen zag ze voor haar geestesoog de twaalfde poort verschijnen.
Ze boog en schouwde. 

Werelden ontvouwden zich voor haar, vele oude geschriften schoven aan haar voorbij, culturen toonden zich in hun verschillende kleuren en alles verweefde zich als het ware met elkaar, zonder zijn eigen karakter te verliezen. Dit alles werd deel van een gemeenschappelijk verhaal: de schepping.

Ze voelde hoe ze in dit schouwen één werd met alles wat zich zo in elkaar verweefde zonder zichzelf te verliezen. Ze hoorde bij dit geheel, was er met lijf en leden getuige van maar bleef ook zichzelf. Zo wonderlijk was dit, zo sterk verwant met een gevoel van thuiskomen, na lang weg te zijn geweest. 

Het was een vertrouwde wereld terugvinden die aan de oorsprong ligt van je bestaan. Waar je even geheel kan in opgaan om daarna nog meer de kern van je bestaan van binnenuit te verstaan alsof het in jou wezen geschreven staat.

De grond ervaren van alles wat je weet en niet wee en wat dit samenvoegt en overstijgt maar ook voedt. In een eindeloos weefsel van leven geven en nemen om voort te bestaan in een eeuwig barende schoot.

Ze vouwde haar handen, zo spontaan ontstond dit gebaar uit dit aanschouwen van wat het leven zijn diepere zin van bestaan geeft.

Toen dit alles zich weer voor haar ogen samenvouwde zag ze vele kringen van mensen om zich heen verschijnen die ze als haar voorouders herkende. Het gaf haar een diep gevoel van gedragen zijn, van deel zijn van al hun geleefde en niet geleefde ervaringen. Deel van vele verhalen waaruit ze dat destilleerde waarmee ze haar verhaal kon leven als een deel van een groot levenssnoer. 

Ze voelde zich heel worden, geheeld, vollediger maar ook klein en kwetsbaar maar niet zonder kracht. Integendeel. Weerbaarder dan ooit.
Ze sloeg het boek voorzichtig dicht. Ze zag nu ook pas dat de snede van de bladeren goudkleurig was.
Ze stapte naar de koffer, waar de hoed van Mahmoud op lag en opende de koffer om het boek erin op te bergen. 

“Dank je wel, Mahmoud”, zei ze “voor de geestelijke erfenis die je mij naliet. Ik bewaar het boek voor altijd in mijn hart.” 

Ze  bewoog nu in de richting van de klokken. Een meeuw vloog op en maakte plaats voor een witte duif die op de hoed van Mahmoud neerstreek.
Ze ademde diep en begon met de kracht die ze in zich voelde de klokken te luiden. Ze luidde nu twaalf maal.

Het was middag, het gouden uur van de dag.


Daarna daalde ze de trappen behoedzaam af. Ze deed er nu meer tijd over  dan voorheen. Beneden opende ze de zware eiken deur van de toren en trad in het volle licht naar buiten. 

Ze keek vervuld om zich heen en zag op de trappen tegen het muurtje een jongen zitten van een jaar of zeven.
De jongen zag haar en een glimlach verscheen op zijn lippen. Hij had op haar gewacht zoals zij eens op Mahmoud. 

“Hoe heet je jongen”, vroeg Mira. 

Hij antwoordde een beetje verlegen en met een kloppend hart. 

“Manuel.”

“Kom”, zei ze “we zoeken samen een stukje aarde om in te zaaien.”

“Oh”, zei de jongen “daar droomde ik al zo lang over.”

Ze nam zijn hand in de hare en trok hem recht. En samen stapten ze de wereld in, de wereld van elke dag.

Het duurt nog even, vóór het weer lente wordt en de eerste levenspoort weer in het zicht komt.
En als je dan een tuintje voorbijloopt, kijk dan goed. 

Misschien zie je een oudere vrouw voorovergebogen bij een jongen, die in haar aanwezigheid de eerste zaden aan de aarde toevertrouwt. 

Vol overgave. 

Hij heet Manuel.

                                   

Coda

Ook jij hebt samen met Mira naar de twaalfde levenspoort geschouwd.

Open je voor nu voor deze vraag:

Hoe voelt het voor mij om deel van een groter geheel te zijn zonder mezelf te verliezen?

 

 

©       Huguette Beyens

woensdag 6 januari 2021

 

 

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: