De elfde nacht van maandag 4 januari

 

Tiende Levenspoort

Eenmaal buigen en eenmaal schouwen.

 

Mira sloot het eiken deurtje van haar huisje voorzichtig achter zich. Ze nam een klein lantaarntje mee voor het geval dat.
Je weet maar nooit in deze donkere tijd van het jaar.
Ervaring had haar doorheen de jaren geleerd dat als je het donker tegemoet treedt je beter een licht kan meenemen.

Ze liep nog eerst even rond haar huis om in de border onder haar raam de bloeiende kerstrozen met hun blanke tere huid goedendag te zeggen. Ze was zo blij met hen in deze tijd van het jaar.

Ze droegen in hun hart de belofte op nieuw leven dat zich nu volop ondergronds aan het voorbereiden was en deze eerste tere maar sterke bloemen, die in hun kwetsbaarheid de kou konden weerstaan, waren er voor haar de eerste getuigen van. 

Ze nam haar wandelstok, die ze ruime tijd geleden uit een stuk ebbenhout had gesneden. Ze had het van een pelgrim gekregen, die ooit als een vreemde gast aan haar deur had aangeklopt.
Ze hield van de zwarte met lichtere strepen doorspekte houttinten die haar herinnerden aan de donkerte die ze tijdens haar leven in vele vormen had ervaren. Ook de pelgrim met zijn donkere huidskleur was eerst vreemd geweest voor haar, maar ze had heel snel begrepen dat dit vreemd vinden haar vooral was aangeleerd en met een mens geen goed deed.
Hem vooral van zichzelf vervreemdt. Ze waren na vele rijke gesprekken heel goede vrienden geworden en in haar stappen had ze vaak het gevoel dat ook de pelgrim met haar meewandelde.
Zo ben je eigenlijk nooit alleen. 

Ze had al beitelend uit het hout bovenaan de stok voor de handgreep een figuur weten te bevrijden die diep voorover gebogen zat en volledig naar binnen gekeerd. Maar hij had twee kanten.
Als je de figuur omdraaide leek hij op een foetus. Dit had ze zo geweldig gevonden dat ze met schroom en dankbaarheid het als een gave van het hout had ontvangen. Hij vergezelde haar nu waar ze ook ging. Hij was doorheen de jaren meer en meer deel van haar geworden. Ze hoefde in moeilijke momenten maar even met haar hand erover te wrijven en ze kwam weer tot zichzelf.

Wat voor haar betekende: dat ze nu ook volop ja kon zeggen tegen de donkerte als onlosmakelijk deel van het leven. Dit had haar grondig veranderd. Ze ervoer nu het donkere jaargetijde als een goede vertrouwde vriend die ze tegemoet trad zoals nu op deze toverachtige Midwinterdag.

Dit alles met innerlijk genoegen overpeinzend kwam ze met haar lantaarn en stok aan bij de tiende levenspoort en bleef even staan om te rusten. Ze meende een aanwezigheid gewaar te worden en luisterde goed om beter te kunnen waarnemen. Ze stak met een lucifer de kaars in haar lantaarn aan en lichtte wat bij. Toen zag ze de donkere gestalten, want er waren er meer die zich om de boog heen bewogen. Het leken wel kleine demonen die maar heel even kort zichtbaar waren terwijl ze zich door elkaar wrongen. Ze hoefde niet bang voor hen te zijn, als ze maar hun aanwezigheid erkende.

Dank zij hen had zij hen als deel van zichzelf leren zien die op zoek waren naar een plekje in het licht van herkennen wie je bent. Een wezen dat zowel de donkerte als het licht in zich draagt.

Er gleed een glimlach over haar gelaat toen ze boog en door de poort stapte. Ze stapte meteen op een besneeuwde weg die haar door een verstild landschap leidde waarin door de kracht van het zonnelicht aan alle kanten kristallen oplichtten. Ze wist niet waar ze eerst moet kijken, zo mooi had de vrieskou haar kanten kleed overal uitgespreid, dat ze er amper durfde overheen lopen. 

Daarom bleef ze roerloos staan kijken. Ze kon er geen genoeg van krijgen en wat verderop, tussen de met sneeuw behangen takken, verscheen een edelhert en keek haar indringend aan. Ook hem herkende ze. Ze wist dat ook dat hij haar herkende. Ze waren trouw aan elkaar. 

Ze had van hem geleerd hoe je vanop afstand heel nabij kan zijn als je vanuit het wezen der dingen kijkt. Het wezen der dingen die de belofte van het ongeziene, niet geopenbaarde leven, als aanwezigheid in zich draagt. Het grote mysterie dat de winter in zijn schoot draagt.

Nog maar enkele dagen geleden passeerden ook wij de tiende poort in de Midwintertijd. We staken kaarsen en vuren aan en voelden in deze donkere tijden de noodzaak om naar het wezen der dingen te peilen. Op de hoogten is de sneeuw al gevallen. Hij zoekt nu de vlakke landen op om ook daar zijn witte kristallen sluiers over de velden, bossen en huizen te spreiden. Wie goed kijkt zal het roodborstje zien, dat met rode ronde borst het contrast met de witte sneeuw niet schuwt. Op zoek naar laatste restjes van de rijke feesttafels.

Hij zal als eerste wellicht, van onder de sneeuw, de frisse kopjes van de sneeuwklokjes bevrijden.

Het ondergrondse leven is nu sterker dan ooit. Er is geen tijd van het jaar waarin de wortels zo werkzaam, zo krachtig het leven aanboren. Het gebeurt nu, de onzichtbare grootsheid van het ondergrondse bestaan, waaruit straks klein maar dapper de eerste krokussen vertrouwensvol ontstaan.

Er is een onzichtbaar leven waaraan we niet kunnen weerstaan en waar we voortdurend uit ontstaan. Onafgebroken. Het is de grondstof voor een geloof dat wortelt in de dingen vanuit afstand, vanuit een groter perspectief bekijken. Soms moet een mens een berg opwandelen om de geheimen van de vlakte te doorgronden. Daar, van waaruit het groter verband, van waaruit alle leven ontstaat en zich verdicht, lijfelijk ervaren wordt. Het perspectief van de hoogte die het leven van de vlakte niet schuwt maar het juist leert met de juiste afstand weerbaar te beleven.

In de verte, ergens, verscholen tussen de huizen klinkt een lied:
“Er is een mensenkind geboren op aarde. Het kwam van heel verre, ons nabij. “    

Wat is het dat je in deze stille wintertijd met iets meer afstand meer in het zicht wilt krijgen?

 

 

 

©      Huguette Beyens

maandag 4 januari

wordt morgen vervolgd

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: