De eerste nacht van vrijdag 25 december – deel 3

het derde deel van de eerste nacht van de Twaalf Heilige Nachten

 

De Twaalf Levenspoorten

Twaalf keren buigen en twaalf keren schouwen. 

 

Het verhaal van Mira, de kleine klokkenluidster. 

Mira zat op de trappen van de klokkentoren tegen het kleine stenen muurtje.
Rustig te wachten. Op de oude klokkenluider, vader Mahmoud. Hij kwam altijd op hetzelfde uur.
Ze had hem al een tijdje gadegeslagen, van achter de kleine beukenhaag, dicht bij de klimmende rozelaar naast de toegangspoort. Ze had nog nooit eerder gedurfd hem aan te spreken. Maar ze koesterde de droom, eenmaal met hem de trappen van de toren te bestijgen, tot helemaal boven om de grote klokken te mogen aanslaan.
Want al was ze al van kleins af aan dol op de zingende klokken van haar dorp, ze had dit maar zelden durven delen.
Want weinig mensen lieten nog blijken dat ze naar het lied van de klokken luisterden.
Ieder had haast en stapte maar door naar waar hij dringend moest zijn.
En klokken, ja, klokken, houden nu eenmaal van tijd.
Veel tijd zelfs.

Mira was ondertussen doorheen de jaren met het luiden van de klokken twaalf jaar geworden. Ze wist heel goed dat telkens de klokken twaalf uur sloegen ze dan even haar adem inhield en aandachtig luisterde, alsof ze het over haar hadden.
Zo onschuldig mag je wezen als je al twaalf jaar bent.Trouwens niemand had het in de gaten behalve misschien de klokken zelf, die haar stille bondgenoot waren.

Hier in het dorp dat met de jaren meer was gaan lijken op een kleine stad vol drukke mensen, die de klokken wel hoorden, maar zelden nog luisterden. Het was Kerstavond, de avond viel volop. In veel huizen glansden er lichtjes, grote en kleine.
Ze dansten achter de ramen in de huizen van mensen die ook daar druk bezig waren.

En op het dorpsplein stond de grote Oude Eik versierd met slingers van kleine lichtjes, die doorheen de slapende takken
zich spiralend bewogen op een snedig windbriesje uit het Noorden.
Hij was samen met de klokken, deel van de tijd geworden.

Mira, die met haar rug, van de kou ineengedrongen tegen de achterkant van het muurtje zat, hoorde zware stappen die in haar richting bewogen. Ze keek behoedzaam om en zag een oud glimlachend gezicht dat zich naar haar toeboog. Het was Mahmoud, de klokkenluider. Geheel in een zwarte kapmantel gehuld, maar met een sjaal die zo geel zag als het licht van de maan.
Hij had een prachtige rode leren hoed op. En op zijn wandelstok van groen bruin olijvenhout, stonden er vreemde tekens gekerfd. Ze had hem nooit zo van dichtbij gezien. Ze keek hem vol verbazing aan en nam diep adem, zo vol ontzag keek ze hem aan. Ze zag in zijn ogen een blauw licht dat haar doordrong. Als een volle sterrenhemel groot.

Mahmoud reikte haar een hand en ze liet zich rechtkomen voelend dat hij haar stevig vasthield. Ze voelde met haar kleine hand in zijn grote hand vol vertrouwen de warmte van zijn stevige vingers, die haar vasthielden en haar passen leidden.
Hij keek haar indringend aan en zei:
‘ Kom kind, we gaan de klokken luiden op deze Kerstavond.’
Ze nam nog eens diep adem en ontroerd zei ze met trillende stem:
‘ Daar droom ik al zo lang van.’
Een zijden glimlach gleed over zijn doorgroefd gezicht. Ze liepen samen naar de kerk, gingen behoedzaam zwijgend, maar diep ademend de trap op, trede na trede tot helemaal boven.
In de toren huisde een sprekende stilte, van wat nog zoekende was naar klank. Het was zeven uur in de avond en meer dan donker buiten en stil, zachte sneeuw begon te vallen. De mensen hadden de warmte van de haard opgezocht.

De tijd, die aanvoelt, als het voorportaal van de nacht.

Mahmoud en Mira kwamen helemaal boven in de klokkentoren aan, daar stond een oude houten kruk, die Mahmoud ooit uit een stuk oude eik had gesneden, mooi en grillig van vorm, maar stevig.
En daarop lag een heel oud dik boek met een rode leren band waarop in gouden letters stond:

De heilige Nachten van Mirathrea, een boek voor zieners.

Mahmoud nodigde haar uit om op het zitbankje te zitten en het boek in haar handen te nemen. Ze zouden er samen de komende avonden in bladeren en lezen. Nu mocht ze het eerste blad lezen. Ze opende met kloppend hart het lederen boek en zag op de eerste bladzijde van perkament deze woorden verschijnen.

De Twaalf Levenspoorten.

Twaalf keren buigen en twaalf keren schouwen. 

De weg van worden en zijn.

Het eerste kon ze zich voorstellen. Het tweede was raadselachtig en vreemd. En vooral vol raadsels voor een kind van twaalf jaar. Maar Mahmoud lachte, hij wist wel beter. Ze was in wezen zo oud als hij, al wist ze dit zelf nog niet. In haar ziel zou ze weten wat ze zag en las. Weten komt voor niet-weten, al duurt het een mensenleven om ze samen te voegen.
Toen liep hij met stevige pas naar de klokken. Er waren er twee van brons. Ze hingen daar roerloos stil en ingetogen te wachten.
Mahmoud nam de koord vast en trok er met alle macht die in zijn lijf en leden zat aan en even later na een zucht van de wind klonken zeven slagen over het verstilde dorp.

Het was zeven uur, tijd om stil te staan, tijd om te leven, in de geheimen van de Tijd.

 

©    Huguette 

wordt morgen, 26 december vervolgd …

 

via de home-knop kun je altijd terug naar het begin voor bv de verhalen van Willem over het rijk van Kronos

Meld je aan met je E-mailadres en blijf automatisch op de hoogte van ons nieuws: