kop
kleineentreesectie

Uit de allereerste nieuwsbrief van Poustinia, nr. 1, september 1984 door Huguette Beyens

Er was eens een boer en een boerin met acht kinderen, die, levend van het werk op het land, elkaar veel tederheid toedroegen. Op een dag riep de vader zijn kinderen bij zich en sprak tot hen: “Zie dat er uitkomt wat er in steekt”. De jongste zoon gaf hij een beurs waarin drie goudstukken en zeven levenskorrels staken. De zoon omarmde en dankte zijn vader en vertrok op reis, zijn weg volgend over vele wegen. Steeds bleef hij, trouw aan de woorden van zijn lieve vader en de aanmoedigende ogen van zijn goede moeder, zoeken naar de betekenis van de zeven levenskorrels, waarvan het mysterie hem bleef boeien. De drie goudstukken bewaarde hij op zijn hart tot de tijd hem rijp leek om ze zinvol te besteden. Op zijn weg hield hij soms lange tijd stil. Levend vanuit en met mensen, vallend en opstaand, zocht hij verder naar een bestemming voor de goudstukken, die steeds warmer gloeiden op zijn sterke borst, alsof de tijd steeds rijper werd. Hij wachtte echter op een teken, gelovend dat het Leven zelf hem de richting zou wijzen. Op een hete zomerdag, wandelend door de rijpe velden, ontdekte hij middenin het zomerse hooiland, een boerderij. Ze leek hem op te wachten en ving hem in haar beide armen op, hem wiegend in haar schoot, terwijl hij ontroerd luisterde naar het lied van de wind door de geurende bloemen. Toen werd zijn hart heel warm. De goudstukken drukten steeds feller tegen zijn borst. Voorzichtig nam hij ze één voor één van zijn hart weg, hield ze een tijd met eerbied in zijn hand en begroef ze voor de drempel van het huis. Dan draaide hij de sleutel in het slot en trad het huis binnen. Hij had het gevoel dat hij eindelijk thuis gekomen was na veel omzwervingen. De vele zwaluwen begroetten hun lang verwachte gast, hem door hun sierlijke bewegingen lokkend. Hij bekeek alles driemaal, vol verwondering, vol ontroering, maar wetend en voelend dat hier zijn bestemming lag. En hij lachte gelukkig... Toen de avond viel over het land en de vleermuizen hun nachtelijke dans begonnen, vleide hij zich op een bedstede tevreden neer. Voor hij zijn ogen dichtsloeg beroerde hij met zijn hand liefdevol de zeven levenskorrels, kuste ze één voor één en viel in een diepe slaap. De dageraad brak aan na een zachte zomernacht; de dauw kleurde het gras zilverwit en lange sluiers gleden over het land. Toen wekte hem een sierlijk witte duif en lokte hem tot aan de rand van het veld waar de geur van het hooi hem bedwelmde. De duif wees hem zeven weiden aan, maagdelijk badend in het gouden morgenlicht. Hij dankte de duif, snoof de morgen in zijn longen op en plantte toen in iedere weide één levenskorrel. Daarna keerde hij zich naar de zon, liet zijn gelaat en zijn blote borst door haar strelen, opende zijn handpalmen en richtte ze naar de hemel. Ontroerd, met twee tranen schitterend als parels in de hoeken van zijn ogen, sprak hij, zich de woorden van zijn vader herinnerend: “Dat er uit komt, wat er in steekt”. Hij zong een danklied voor heel de schepping en werd één met de aarde en de grond waarop hij stond.

kop
kleineroossectie
kop
kop kop kop