kleineentreesectie
kop

Een pelgrimstocht naar Glastonbury

Back home

Het is elke keer weer opnieuw een gevoel van thuiskomen, het moment dat je, door de kruinen van de bomen die langs de B3151 staan, net even voor het dorpje Street, op zo’n 3 miles van Glastonbury, het beeld weer ziet dat hierboven is afgedrukt, maar dan in levende lijve. Een plaatje is leuk, maar het hernieuwde zicht op deze heuvel, de Glastonbury Tor, woelt diep van binnen vele lagen om. Een ieder die de heuvel voor het eerst “in het echt ziet”, heeft een soortgelijk gevoel. Het laat zeker niemand onberoerd.

Velen hebben getracht het gevoel te beschrijven, velen hebben getracht er een verklaring voor te vinden. Weinigen die, noch aan de plek, noch aan het gevoel, achteloos voorbij kunnen gaan. Maar voor ons was er geen ontsnappen aan. Al maar dichter kwam de heuvel, als een wachtende moeder die, lang op de uitkijk gestaan te hebben, haar armen ontvouwt, haar rokken bijeen neemt en op je toe gelopen komt om je op te slokken. Sommigen beweren dat het de godin zelve is die in het landschap begraven ligt, eeuwenoud, slechts één borst met een harde tepel nog oprijzend, schenkend aan haar kinderen rondom.

Nog een kleine tien minuten en we zouden aankomen in het centrum van het stadje na een lange tocht door het zuiden van Engeland. Een heerlijk rustige oversteek, welkome witte rotsen die Dover markeren en vele glooiende groene hellingen met rustieke patronen, getrokken door evenzovele heggen en boomgroepjes, waar we doorheen gereden waren. Kilometers vretend om op tijd in het stadje te arriveren, op tijd om de dorst te lessen met Engels bier en een laat maal in een locale pub. Om vervolgens ons bloemetjesbehang in de slaapkamer van onze Bed & Breakfast te gaan bewonderen, nadat we onze gastvrouw hadden begroet. Wat Engelsen dus beslist niet kunnen is kleuren en stijlen combineren, maar dat kan ook gewoon aan ons liggen. Het heeft onze nachtrust echter geen geweld aangedaan, daarvoor was de reis vermoeiend genoeg.

Wakker worden in een ander land is wat een jonge vaars in april moet voelen als ze de wei opnieuw in mag. Zelfs een te continentaal ontbijt doet daar geen afbreuk aan.

Als je uit het raam kijkt is de Tor op de heuvel ineens erg dichtbij. Er springt een eekhoorn rond in de meidoorn die voor het huis staat. Twee uur daarvoor ben ik vele vriendjes van hem tegengekomen op mijn wandeling over de door de dauw natgeworden flanken van de Tor-heuvel. ‘s Morgens vroeg, heel vroeg, zal je er wel geen mensen aantreffen. Maar dat hebben diegenen die al op de top ervan stonden en rondliepen natuurlijk ook gedacht. Toch stoorde het niet. Het uitzicht, de krachtige energie die de plek je aanbiedt, nemen je zo in beslag, dat ochtendconcurenten, medebelevers worden die in stilte delen in de beleving. Zonsopkomst maakt dat een heel leger ochtendvogels gelijktijdig de adem inhoudt, om kort daarna een vreugdevolle groet te brengen aan haar die de eega moet zijn van zij die onder mij waakt. Dichterlijk en lichtelijk verward; het gaat bijkans vanzelf als je hier op de top van de heuvel staat en tracht te voelen wat de plek je doet.

Gog en Magog

Onze eerste dag, onze eerste etappe van de pelgrimage; de reis van gisteren even niet meegeteld. Die ging te snel voor een pelgrim.

Ons doel voor deze eerste ochtend is de top van de Tor, nu niet alleen, maar als gids voor heel de groep. We gaan niet rechtstreeks naar Wellhouse Lane waar het officiële pad begint dat leidt tot de top. We lopen eerst langs enkele oude holle wegen onder aan de voet van de heuvel. We kiezen een verlaten pad dat ons geleidelijk verder weg voert van de heuvel wat maakt dat het zicht erop ook telkens verandert. De uitgeslapenen hebben al snel door dat we een rondtrekkende beweging maken; alsof we eerst rond het snoepje wandelen alvorens het op te peuzelen. Plots staan we voor een tweetal reusachtige bomen, Gog en Magog, waarvan er één zichtbaar gestorven is, terwijl de ander de naderende dood nog van zich weet af te houden. Oog in oog met twee wezens die tweeduizend jaar historie aan zich hebben voorbij zien trekken. Aangenaam.

Je hoeft niet veel fantasie te hebben om te kunnen zien dat heel lang geleden vanaf deze plek de jaarlijkse processie startte die de Druïden hielden om hun jaarlijkse Beltane feest in te wijden. Van hier in een rechte lijn langs een pad omzoomd door honderden majestueuze eiken, liepen de dorpelingen naar de Tor.

Als je over het hek klimt en de dode boom in klautert, vind je vanzelf de plek die het je mogelijk maakt om af te dalen in een holte van de stam. Je kunt daar je oor tegen de verrotte binnenwand leggen en luisteren wat de boom je wil vertellen. Een langzaam, oud verhaal vertelt hij je en je vraagt je af of hij geen familie, verre familie is van Boombaard uit Fangorn.

Upon the hill

Na eerbiedig afscheid genomen te hebben, vervolgen we onze weg door velden en langs paden en krijgen we na verloop van tijd de Tor weer in het vizier. We bevinden ons nu aan de noordzijde van de heuvel en het zicht van deze kant is heel anders. Heel goed is nu de terrasvorm te zien en de spiralende pelgrimsweg die langs de zeven terrassen naar boven voert. Zelf duiken we een nieuwe holle weg in die ons tot onderaan de heuvel brengt en we zijn vermoedelijk enkele verborgen ingangen gepasseerd. Want oud zijn de verhalen over de verborgen ruimtes onder de heuvel. Ruimtes in vervlogen tijden betreden door mensen die nimmer meer gezien zijn...

Honderdduizenden hebben de weg de afgelopen honderden jaren reeds genomen. De weg die wij nu gaan over pas aangelegde betonnen stapstenen die de erosie van de heuvel moeten tegengaan. Beklommen van deze kant, de westzijde, zie je een heuvel die voor je oprijst en na een aardig steile klim en na een paar bochten als je voor je gevoel bijna boven bent, sta je ineens oog in oog met het restant van een kerk, één oude toren die rest. Die rust, die torent, die domineert, die klein is en grootsheid uitstraalt. Hoe dichter je komt hoe kleiner hij wordt en hoe harder het gaat waaien. Koeievlaaien overal, je moet dus wel kijken waar je loopt. Op kilometers afstand lijkt de toren hier op de Tor groot, majestueus. Als je er in staat en er rond loopt is hij anders groot. Maar hoe precies... Zevenhonderd jaar geleden hing hier de laatste abt van de abdij van Glastonbury nog te bengelen aan een koord. Er zijn heel andere gevoelens die opborrelen, maar dat merk je pas als je gewoon even op de flank van de heuvel zelf gaat zitten; dan pas krijg je langzaam contact met een kracht die zoveel ouder is. Die dateert van ver voor er ook maar zoiets als een toren hier heeft gestaan. Dit is onmiskenbaar de kracht die aanzuigt, die mensen sinds mensenheugenis naar Glastonbury trekt. Zij, want voor mij is het een zij, roept hier. Geroerd, ontroerd en beroerd als je er te lang blijft zitten. Een ieder van ons weet later op de dag, wanneer we de ervaringen met elkaar delen, een ander verhaal te vertellen. Verhalen met een zelfde teneur. De heuvel smeedt. Banden?

Wanneer je terugkeert en gewoon rondkijkt, weet je nu al dat je zeker wilt terug komen als de zon zal ondergaan, of als de maan er vol overheen trekt. Of in oktober als rondom de mistslierten zich aaneenrijgen en jij alleen boven de wolken in een nieuwe wereld je kunt voelen als... Heel lang geleden, toen veel dingen nog anders waren, stond rondom de heuvel water, was dit een eiland, het oude Avalon, was dit een haven. Hoe makkelijk is het om op deze plek geruisloos de legenden binnen te drijven. Uit te varen naar geestelijke kusten met schepen van glas. Met ringen van macht en mistletoe in het haar. Maar de gids roept en begint aan de afdaling langs het oostelijke pad naar beneden. Stijl naar beneden. Dat maakt klaarwakker, dat moet ook wel, anders ben je als eerste beneden.

Glastonbury

We zijn veilig beneden aangekomen en gaan op weg naar het stadje zelf. De wandeling van de Tor tot aan het stadscentrum zal een twintig minuten duren en dat is net voldoende tijd om langzaam om te schakelen en weer gewend te raken aan de wereld die we dachten achter ons gelaten te hebben. We zijn gewaarschuwd voor de overgang. Glastonbury heeft al heel lang een heel speciale zuigkracht. Eigenlijk al sinds het ontstaan van het dorp.

Het verhaal gaat, dat zelfs de oom van Jezus van Nazareth zich liet verleiden, tezamen met enkele familieleden, hier naar toe te trekken. De eerste christelijke enclave waarvan men zegt dat hij daar de stichter van was, heeft altijd velen aangetrokken tot op de dag van vandaag. Veel verder terug in de tijd zou dit een plek geweest zijn waar Keltische stammen hun heiligdom hadden. Vandaag de dag hebben vele uitbaters van exotisch ogende winkeltjes waar je je aura kunt laten fotograferen, allerhande edelstenen kunt kopen, bedolven wordt onder boeken over alle mogelijke New-Age onderwerpen, het centrum dat typische toeristische karakter gegeven dat zo kenmerkend is voor menige Gezondheidsbeurs of Bewustzijnsverruimingsevenement. De eerlijke zoeker naar mystiek en spiritualiteit heeft hier niet veel te zoeken, dan ben je beter af in één van de vele holle wegen rondom het stadje, of op enkele heuvels die we de komende dagen nog gaan bezoeken.

Maar nu moeten we even Glastonbury doen; al was het maar omdat het restaurant waar we gereserveerd hebben, midden in de drukke winkelstraat ligt waar een mengeling van mensen rondloopt die niet zo misstaan in een nostalgische film over de Flower-Power beweging uit de jaren zestig in Los Angeles. Zwervers, Baghwan-adepten, klassiek Amerikaanse toeristen, Hollanders met hun plastieken tasjes, enkele autochtonen, een gemiddelde leeftijd van rond de veertig, waarheidszoekers, harde werkers en allemaal min of meer Engels sprekend. En daartussen een troepje zich pelgrims noemende Belgen, die zich hebben voorgenomen alleen naar het restaurant te gaan en zich niet willen laten verleiden door de uitgestalde commercie en andere verlokkingen, maar heel goed weten dat tegen de tijd dat ze weer teruggaan naar huis, ze de toch wel leuk uitziende winkeltjes hebben doorgestruind. Al is het maar om toch iets mee te nemen voor het thuisfront.

Burgers van twee werelden en dat is misschien wel het beste.

Daar waar de ingang is van het restaurant, de Rainbow, natuurlijk, ontbreekt de deur die toegang geeft aan een pijpenla, volgestouwd met esoterisch ogende spullen, honderden volgekrabbelde kaartjes zoals je die thuis kent van de supermarkt. Blijk gevend van een waarschijnlijk groeiende groep zelfstandig trachtend het hoofd boven water te houden volkje dat zich aanprijst voor een consult tarot of een healing, je op weg helpt met, afhelpt van. Waarom moet de mensheid nog langer ziek zijn als we zoveel genezers hebben op zo’n klein oppervlak? Oogkleppen graag, laat ons niet afleiden en rechtdoor, achterin, daar is het te doen. Precies zo als in stripverhalen, als zo’n golvend wolkje geuren je tegemoetvliegt, zo grijpt een wolk ons bij de keel, doet ons zelfs watertanden. Als het smaakt zoals het hier ruikt, dan ... En het is waar. Schilderen met gerechten, kleuren met salades, dat is wat ze hier doen. En het smaakt verrukkelijk. Een zelf samen te stellen vegetarische schotel met biologische producten, health food dus, wordt voor je klaargemaakt. Je hoeft hem alleen maar op te peuzelen en te betalen natuurlijk. Maar dat mag geen naam hebben. We zijn het er allemaal over eens. Voor zo’n prijs gaan we hier natuurlijk elke dag twee keer warm eten. Dat staat. Jammer genoeg zijn ze alleen ‘s middags open. Engeland is nog niet om, dus na wat hoofdrekenwerk, wat nog niet zo simpel bleek, kwamen we op zo’n 12 euro voor een geweldige maaltijd inclusief een verse appelpunch of iets dergelijks.

We hebben nog wat zitten nagenieten, buiten, achter het restaurantje, indrukken gedeeld en alle goede dingen van het leven van een pelgrim geprezen. En weet dat dat makkelijk is met een goedgevulde, van genot knorrende maag, die zoveel bloed onttrekt aan menig hoofd dat opstappen en ons klaar maken voor de volgende etappe, voor enkelen van ons voorlopig een brug te ver leek. Een blik op de klok die nergens te vinden was, zelfs niet nadat een ieder zijn of haar mouwen had opgestroopt, niemand die de tijd had; daarom voelde het alsof we alle tijd van de wereld hadden, gingen we op pad, terug door de pijpenla, langs het prikbord, de straat weer in om aan de overkant aan de gevel, boven het winkelende publiek uittorend, de tijd terug te vinden. En het lawaai, getoeter vooral, toen weer eens iemand uit de groep vergat dat verkeer in Engeland van rechts komt en gevaarlijk dichtbij is als je, zoals je geleerd hebt, eerst naar links kijkt. Met een beetje overdrijven hebben we zo al een paar keer elkaars leven gered en dat schept een hechte band.

Dat doet me denken aan een voorval dat ik meemaakte de allereerste keer dat ik in Engeland, in Glastonbury was. Ik liep een keer naar een bushalte omdat ik de bus naar Wells wilde nemen en ik had in het postkantoor nog gevraagd hoe laat de bus bij de halte zou arriveren, dus ik was toch echt op tijd dacht ik. Vijf minuten later reed aan de andere kant van de weg een andere bus weg van de halte, in de tegenoverliggende richting, Street of zo, dacht ik. Niet dus, het was de mijne maar ik stond natuurlijk verkeerd, althans dat vertelde de buschauffeur mij, toen “Mijn bus” een half uur later arriveerde.

Sommige dingen zijn daar dus echt andersom, maar het kan even duren voor dat echt doordringt. Opletten geblazen dus. Dat moet je ook met de vele verhalen die in en over Glastonbury de ronde doen.

Glastonbury’s abdij

Het is rond deze abdij dat het stadje is uitgegroeid en het is deze abdij waarrond vele verhalen zijn geweven. Momenteel is de abdij niet meer dan een goed onderhouden ruïne en één van de vele trekpleisters waaraan Glastonbury zijn toeristische status te danken heeft. Dat is nu zo en dat was honderden jaren geleden ook al zo. Er gaan momenteel zoveel verhalen rond, die allemaal min of meer, vaak min dan meer, een stukje waarheid in zich dragen, dat indien ik ze hier zou bespreken, het een heel ander boek zou worden. Trouwens er zijn al zoveel boeken verschenen, voornamelijk in het Engels, dat als ik me daar ook nog eens aan zou wagen, het nauwelijks een welkome aanvulling zou zijn.

Nee, ik wil me beperken tot een aantal elementen die voldoende waarheidsgehalte in zich hebben en die verbonden zijn aan de abdij; de volgende etappe op onze eerste dag.

Als je de hoofdstraat verder afloopt naar beneden en de hoek om draait, dan kom je bij de poort die toegang geeft tot het centraal liggende stuk grond, midden in de stad, waarop zich de restanten van de vroeger zeer gerenommeerde abdij bevinden. Eenmaal door de poort passeer je eerst, onvermijdelijk tegenwoordig, een uitgebreide soevenierswinkel, die we, om nog maar eens aan elkaar te tonen dat we daar niet voor hier zijn, links laten liggen. We komen aan de kassa die een onderdeel blijkt te zijn van een klein museum en even later staan we weer buiten, want ook dat museum is voor later, en kunnen we een piepklein kapelletje binnengaan of direct door een klein poortje, het adbijterrein op.

Direct nadat je het poortje door bent en op het terrein staat, overvalt je de typische rust die over je komt wanneer je in een drukke stad een park binnenwandelt. De stadsgeluiden, de drukte en de stress, vallen ineens weg. En voor ons ligt de ruïne. Maar voordat we erop af lopen, worden we attent gemaakt op een klein bordje langs het pad met daarop de tekst ‘The Holy Thorn”. Daar hoort een verhaal bij.

Elk jaar wordt er van deze boom, op het moment dat hij bloeit, begin januari, een takje afgesneden en opgestuurd naar het paleis van Koningin Elisabeth in Londen. De start van een nieuw leven, symbolisch nauw aansluitend bij de Kersttijd. Op zich allemaal heel natuurlijk, heel gewoon, traditioneel, ware het niet dat het hier een boom betreft die normaal niet in Europa groeit, laat staan bloeit. Het betreft hier een meidoornsoort die alleen maar in de streek van Libanon en Israël voorkomt. Deze speciale boom bloeit evenals zijn soortgenoten in het oostelijke Middellandse-Zee gebied, twee maal per jaar. Bloeien in januari in Libanon is daar vrij normaal; een boom in bloei in januari in Engeland gaat al in de richting van een wonder. Helemaal als het waar is dat deze boom een enting is van de oorspronkelijke boom die groeide op Weary-all Hill, één van de drie heuvel waarrond Glastonbury ontstaan is. Het was daar, gaat het legendarische verhaal, dat Joseph van Arimathea, oom van Jezus van Nazareth, enkele jaren na het overlijden van zijn neef, met enkele familieleden en vrienden arriveerde in Glastonbury in een boot. Glastonbury lag in die dagen aan de kust en Jozef van Arimatea was al eerder in deze contreien geweest aangezien hij eigenaar was van verschillende tinmijnen in de buurt. Naar goed gebruik plantte hij zijn staf in de grond, aangevend dat hij van plan was zich hier te vestigen. Volgens getuigen die aan de basis van het verhaal liggen, botte zijn staf terstond uit en zo groeide deze nieuwe loot binnen enkele jaren uit tot een volwassen boom. Lang voordat de oorspronkelijke boom stierf, werden er verschillende zaailingen in het stadje op diverse plaatsen uitgeplant. En bij één van hen staan we nu in verwondering te kijken naar de kruin en we zien in onze verbeelding ...

Een eerste mysterie geduid. Op naar het volgende.

Wel, toen de Romeinen er dan eindelijk in slaagden om het Christendom naar Engeland te brengen, zo’n achttienhonderd geleden, wie schetste hun verbazing, toen zij op de plaatst waar nu de ruïnes van de abdij staan, een uit hout opgetrokken gebouwtje zagen dat dienst deed als kerk. Hier, in één van de meest barbaarse uithoeken van hun wereldrijk, bleek een kerkje te staan waar rond een kleine gemeenschap leefde die in allerlei opzichten een Christelijke inslag had. Er behoefde hier blijkbaar niets meer gekerstend te worden. Veel later is naast dit kerkje de latere abdij ontstaan die gestadig uitgroeide tot de belangrijkste van het land. In het museum kun je de ontstaansgeschiedenis en de verschillende stadia prachtig volgen aan de hand van vele tekeningen en ook een prachtige maquette.

Maar alles wat zijn hoogste glorie bereikt zal in de ogen van anderen vroeg of laat het grootste object van hun haat worden. En zo kwam de abdij van Glastonbury ook aan haar onvermijdelijke einde. Onder invloed van Hendrik VIII kwam er een einde aan de hegemonie van de monniken en de Christelijke Kerk in Engeland. Ergens in 1330 werd de laatste abt op de Tor opgehangen en de dorpelingen hebben de stenen van de abdij nog jaren lang gebruikt om hun stad verder op en uit te bouwen. Als je door het stadje loopt en naar de gevels kijkt, zie je overal stukken metselwerk terug die eens naadloos een onderdeel zijn geweest van een majestueus gebouw dat nu nog slechts in de herinnering voortleeft. Veel staat er niet meer overeind, maar voldoende om toch een indruk te krijgen van het gebouw dat hier ooit de regio domineerde. Een plaats waar je je klein voelt. Dat was natuurlijk de bedoeling van de bouwers, maar zo bedoel ik het niet. Het heeft iets te maken met wat er in de grond aanwezig is. Een voelbare kracht die vanuit de aarde op je inwerkt. Kerken en vooral kathedralen stralen een typisch mannelijke kracht uit. Een kracht die rechtop omhoog zich uitdrukt, de hemel zoekt en de mens die zich daarin bevindt letterlijk ondergeschikt en klein maakt; dienstbaar aan deze macht.

Maar hier in Glastonbury werkt een andere energie, meer vrouwelijk, sterker door. Niet overal, niet overal even sterk. Maar aanwezig. Ook in en rond de ruïnes en vooral in de voorste kapel, hebben jarenlange dominantie van mannen die zich onderwierpen, haar niet kunnen uitdrijven. Zou Zij er mede de hand in hebben gehad dat de moloch ten onder ging?

We struinen een tijdje over de gemillimeterde grasvelden die rondom de steenresten liggen en bewonderen de enorme bomen die in het park rondom staan. Naast de ruïne ligt een apart gebouw dat nog helemaal in tact is en daar nu al zo’n zevenhonderd jaar staat. We gaan er binnen en tot onze stomme verbazing herkennen we de monnik die er juist begonnen is met een demonstratie kruidenbereiding. Hij knipoogt naar ons en inderdaad het is de echtgenoot van onze bed & breakfast lady of the house. Hij speelt z’n rol voortreffelijk en we worden heel wat wijzer over de dagelijkse gang van zaken in die tijd. Over tijd gesproken, het liep tegen vieren en dus, nadat we het museum nog even binnen waren gegaan om vervolgens, uiteraard, te strandden in de winkel, vonden we het onderhand tijd worden voor een echte Engelse theepauze. Op zoek naar een tearoom. Dat bleek makkelijk en moeilijk tegelijk. Op vele etalageruiten kwamen we het woord tegen, maar als we erdoor keken, waren het telkens lunchroomachtige ruimtes met dito interieur. Wij hadden zin in een echte, onvervalste tearoom waar echte Miss Marples en haar vriendinnen gezellig zouden zitten smoezelen over de laatste dorpsroddels, discussiërend over of ze nu wel of niet hun derde muffin zouden bestellen.Huiskamerinterieur, open haard, bloemetjesbehang, kanten servetten, de geur van vers gebak die je uit de voordeur tegemoet stroomt als de deur, rinkelend en wel, een tevreden klant aflevert aan een gehaaste wereld die daarbinnen even tot stilstand komt. Zo’n tearoom natuurlijk. En die was er ook. En er zaten zelfs twee Misses Marple. En zelfs al hadden we watten in onze oren gestopt, dan nog moesten we wel alles vernemen over de ziektegeschiedenis van de meest oud uitziende van de twee. Schitterend ook om te zien hoe de eigenares op een gegeven moment naar de oudste Marple toestapte en quasi verbaasd vroeg, hoe lang het nu geleden was dat ze voor het laatst het etablissement had bezocht; daarmee het oudje een schot voor open doel gevend. Een kans die ze met licht bevende, gehandschoende handen, aangreep, daarmee de jaloezie van de jongere Marple nog groter makend. Zou Agatha Christie net zoals Simon Carmiggelt dat deed in de Amsterdamse kroegen, in dergelijke zaakjes haar inspiratie hebben opgedaan. Natuurlijk, je begreep direct dat binnen niet al te lange tijd de jonge Marple de oude vroeger of later bij haar thuis zou uitnodigen voor een tea for two, wetend dat in één van de twee scones die op het bordje lag de halve inhoud van de arsenicumfles die op het schap in het tuinhuisje stond, gestopt was. Maar dat was precies wat de oudste Marple voorzien had en, na een slimme afleidingsmanoeuvre van haar kant, draaide de oudste het bordje 180 graden om toen haar vriendin juist even de andere kant op keek...

 

Struinen over paden, struinen in de tijd.

We hadden afgesproken elkaar weer terug te zien bij het restaurant tegen de klok van acht uur. Dat maakte dat ik enkele uren de tijd had om mijn eigen weg te gaan. Ik bleef nog even zitten in de tearoom en wachtte het moment af dat iedereen uit het zicht was. Ik wilde er zeker van zijn dat ik even alleen kon zijn. Ik wandelde terug naar het begin van de hoofdstraat en eenmaal boven aangekomen sloeg ik rechtsaf Chilkwell Street in. Daar probeerde ik in gedachten terug te gaan naar de allereerste keer dat ik in Glastonbury aankwam. Enkele honderden meters verderop bevond zich de bushalte waar ik in 1980 voor het eerst uitstapte. Ook toen liep ik als eerste deze straat in op zoek naar een geschikte slaapplaats. Ik vond toen even verderop in de straat de Old Vicarage, het statige huis waarin de dominee van de St. Johns kerk in High Street woonde met zijn vrouw. Een bordje aan het hek maakte duidelijk dat er nog plaats was in hun “herberg”. Nu meer dan twintig jaar later, hetzelfde huis, dezelfde gevel, dezelfde gordijnen?

Het was hier in dit huis dat ik voor het eerst via enkele boeken die de domineesvrouw me te lezen gaf, iets te weten kwam over Glastonbury en zijn geschiedenis. Dat was op de derde dag van mijn bezoek destijds. En achteraf was ik daar om een bijzondere reden heel gelukkig mee. Niet dat ik die boeken kreeg, maar dat het pas op de derde dag was. Daardoor, bleek achteraf, kon ik enkele dagen volledig onbevooroordeeld door Glastonbury struinen. Net als toen liep ik een stukje verder de straat in tot aan Dod Lane, een zijstraatje dat, in het verlengde liggend van de ruines van de abdij, voert tot aan het wandelpad dat over Chalice Hill loopt.Daar op de hoek deed ik in 1980 een speciale ervaring op. Ik weet nog goed dat ik verschillende keren opnieuw de straat over stak. Midden op straat voelde ik een vreemde soort trilling door me heen gaan en ik merkte dat het op die plek warmer was dan enkele meters daarvoor of erna. Geheel in beslag genomen door de vreemde, nieuwe sensatie heb ik daar een tijdje rondgelopen om te bevoelen waar ik precies wat voelde. Uiteindelijk werd het me duidelijk dat wanneer ik met mijn rug naar de ruines ging staan en ik vervolgens Dod Lane in wandelde tot aan het wandelpad, dat ik heel die tijd dat typische gevoel kon waarnemen. Een warme kriebeling, die voortdurend in sterkte veranderend, de hele tijd aanwezig bleef zolang ik maar het pad bleef volgen dat mij over Chalice Hill leidde naar de Tor.Alle andere keren dat ik later weer in Glastonbury was, heb ik telkens dezelfde plek opgezocht om te voelen of de zelfde sensatie er weer zou zijn. En dus ook nu weer, wilde ik de wandeling weer maken die ik onderhand zo goed ken.De reden waarom ik dit vermeld ligt hem in het feit dat ik blij was en ben dat ik toen iets heb ervaren, terwijl ik helemaal niets wist van de plek. Heel vaak is het precies andersom. Dat je al iets of veel weet over een plaats en er vervolgens naar toe gaat. Het wordt dan heel eenvoudig om op de “juiste” plaatsen iets te ervaren.

En er zijn nogal wat van die plaatsen in en rond Glastonbury waar je van alles kunt oppikken. Ik wandelde Dod Lane op en bemerkte het ondertussen vertrouwde gevoel dat langs mijn ruggengraat omhoogkroop. Rechts tussen de struiken zag ik de contouren van het statige Chalice Hill House. In de jaren tachtig was hier het Ramala Centrum gevestigd. Ik ben er een aantal maal te gast geweest bij David en Ann. Een prachtig mooi huis, hier en daar Victoriaans, met zelfs een zwembad onder een glazen dak. In de tuin stond een heel bijzonder twaalfhoekig gebouwtje. Gebouwd door enkele Belgische studenten. In dit heiligdom hielden David en Ann tesamen met enkele bewoners, hun speciale meditaties. Op een gegeven moment kreeg David contact met enkele entiteiten die allerlei interessante informatie wilden doorgeven via hem. Aanvankelijk sceptisch, besloten beiden hier serieus mee verder te gaan en al het materiaal dat op die manier verzameld werd, werd verwerkt in een drietal boeken die in de jaren tachtig op de markt kwamen.

Toen ik vorig jaar, zo’n vijftien jaar later, aanbelde bij het huis, kreeg ik van de huidige bewoner te horen dat het gedaan was met het Ramala Centrum. David was vertrokken, het land uit en Ann was verhuisd naar het huis ernaast en leidde nu een Sai Baba Centrum. Ik vroeg wat er van het heiligdom was overgebleven en de man keek me een tijdje niet begrijpend aan. Toen ik hem vertelde over het bijzondere gebouwtje in de tuin, ging hem een licht op. De speelplaats van de kinderen! Hij ging het huis binnen en kwam terug met de sleutel en gaf me toestemming om er eens te gaan kijken.Vervallen was het niet, maar je kon goed zien aan de buitenkant dat niemand zich er nog om bekommerde. De sleutel was niet nodig. De deur ging vanzelf open. Je moet je voorstellen dat je een hele grote diamant van hout aan één zijde binnengaat via twee schuifdeurtjes die op verschillende plaatsen zijn ingeknikt. Vroeger kwam je dan in een klein voorportaaltje waar je je schoenen kon neerzetten en op je sokken kon je dan een tweede opening door waardoor je in de eigenlijke binnenruimte kwam. Nu lagen daar fietsonderdelen, half verroest. En een teddybeer zonder armen. In een hoek een stapel oude kranten, aangevreten door waarschijnlijk enkele muizen. De aanblik had het effect van een klap in je gezicht.Terwijl ik door het tweede geknikte deurtje stapte, herkende ik de paarse vaste vloerbedekking en het kleine verhoogde altaartje in het midden van deze ruimte. Ik heb zelden zo’n vreemde, dubbele ervaring beleefd. Een muffe plek, vochtig, overal rommel, zelfs een oude electrische gitaar met nog enkele snaren in een hoek en toch hing daar nog een zelfde sfeer als vijftien jaar terug. Beelden uit de film van Franco Zeffirelli “Jezus van Nazareth” kwamen bij me op. De scene waar Jezus de tollenaars uit de tempel slaat en de kraampjes van de geldwisselaars omgooit.

Met meer dan gemengde gevoelens draaide ik me om en liet het ontheiligde huisje achter me en bracht de sleutel terug en bedankte de huiseigenaar. Het beeld bleef nog lang hangen die dag. Aan het einde van het tuinpad sloeg ik rechtsaf en wandelde verder het pad af, een stalen draaideur door, langs het nieuwe Sai Baba centrum, op weg naar het wandelpad dat over de Chalice Hill voert. Als je bijna boven bent, staat daar op een strategische plek een bank. Niet alleen voor het uitzicht dat adembenemend is. Ook de aanwezigheid van enkele majesteuze eiken en beuken werkt krachtig door.

 

De Graal

Honderden jaren geleden had Glastonbury een open verbinding met de Atlantische Oceaan. Het water kolkte rond de voet van een drietal heuvels. Weary-all Hill, de meest westelijke, de heuvel waar ik nu bovenop zit, Chalice Hill en de Tor-heuvel.

De Chalice Hill heeft haar naam te danken aan het eeuwenoude gerucht dat aan de voet van deze heuvel, bij een bron, de Chalice Well, de beker is verborgen die Jozef van Arimathea, de oom van Jezus van Nazareth, zou hebben meegenomen naar Engeland. De beker die Jezus heeft gebruikt bij het laatste avondmaal en die bij zijn dood aan het kruis werd gebruikt om zijn bloed op te vangen. Ook bekend als de Graal. Bij opgravingen en onderzoek heeft men, natuurlijk, nooit iets gevonden, maar geruchten, legenden en mysteries verdwijnen niet door één of meerdere opgravingen die niets opleveren. Daarvoor is het tenslotte een mysterie.

Zittend op de bank boven op de heuvel, uitkijkend over Glastonbury en verder tot zelfs Bristol aan de einder, wandelen allerlei gedachten in en uit. Dat gaat hier zo eenvoudig, zo vanzelfsprekend. Ik moet me beter uitdrukken. Het bemerken dat dat gebeurt dat gaat zo eenvoudig. Je kunt hier zo makkelijk toeschouwer zijn van je eigen innerlijke processen. Journalist ook, verslaggever. Staand, zittend aan de zijlijn. Je houdt het hier gewoon veel langer vol om niet in te grijpen, niet te gaan redetwisten.

Het is precies die houding die mediterenden zoeken te vinden. Leeg worden van binnen. De innerlijke commentaarstem het zwijgen opleggen en de bron laten overstromen. Worden als een Graal, als een beker. Goed geaard met brede voet, stevig staand. Lichte spreidstand. Slank in de taille, het hart als kloppend centrum met daarboven gestrekt de armen die zich in een orante gebaar uitstrekken en wachten op. Geopende palmen, breed van boven. Kom, schotel, graal, ontvang opdat ik wederom kan schenken.

De mens als graal? De vrouw in de mens die graal wil zijn in hem en haar.

Leonardo Da Vinci’s dubbele mensenfiguur in de cirkel en het vierkant. Heeft hij de graal geschilderd omdat hij wist waar hij te vinden was. Op zijn wereldberoemde fresco Het Laatste Avondmaal vind je nergens op tafel een drinkbeker, maar wel een vrouw die naast hem zit. Maria Magdalena?

Het allerhoogste vrouwelijke principe. Magdalena? Door de Katholieke Kerk verguisd en tot hoer verklaard. Wat diep gevreesd wordt, wordt verdacht gemaakt en de leugen zal zijn werk doen. Al eeuwen lang.Koestert deze heuvel, waaronder een bron ontspringt, een eeuwenoud geheim, dat langzaam door mensen begrepen zal gaan worden. De Tor heuvel heeft een heel sterke band met het Moeder-Aarde archetype, de vroegere Godin, maar deze heuvel heeft dat niet. Dit is haar hogere uitdrukkingsvorm. gesluierd, versluierd. Haast onzichtbaar, krachtig voelbaar. Nauwelijks in woorden te vangen. Slechts resoneren, meeklinken op diepgevoelde onderstromen als je graal wil zijn, zittend op een bank, uitkijkend over de velden rond Glastonbury, voelt wat zich in deze onbeduidende woorden wil verdichten.Twee heuvels dicht tgegen elkaar aan. De één het hogere octaaf van de ander! De Tor, mannelijk van boven, daarom staat er nog altijd een punt op. Maar diep van binnen oer-vrouwelijk. Hol, naar men vermoedt. Verslindend, zo men weet. De Chalice Hill, vrouwelijk in al zijn vormen. Begroeid, een bron aan de voet. Verschillende healing-centra rondom. Diep van binnen wijs. Geestelijk verbindend. De toekomst naast het verleden. Zo dicht bijeen.

Waartoe een mijmering op een bankje al niet leidt....

kop
kleineroossectie
Reisverhaal kop