![]() |
||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||
Poustiniarozen zijn uiteraard bij ons te bezichtigen. Voor het huis en verspreid in de tuin vind je ze overal. Wij verkopen ze niet. Ze kunnen besteld en gekocht worden bij Johan Orije. |
||
Huguette's laatste boodschap aan Jef Orye. Jaren geleden rinkelde bij ons de telefoon en toen ik opnam hoorde ik jou ontroerd zeggen dat de Poustinia-roos goud gewonnen had in Lyon. Toen ik jou zei dat ik blij was voor jou, vroeg jij mij of ik meter voor de roos wou zijn. Ik zei enthousiast ja en dit moment was het begin van een lang verhaal. De roos werd voor het eerst bij ons geplant en doorstond probleemloos de vrieskou van de ardeense winter. Ze bezit het doorzettingsvermogen dat ook zo typisch is voor jou. Vaak wisselden we met elkaar uit over deze roos en je probeerde dan te verwoorden wat je allemaal beleefd had tijdens de jaren dat je aan het creëren van deze roos werkte. En op een dag, na een lange stilte, na een tranenvloed die bedding gaf aan jouw gevoel zei je: "Huguette, ik dacht eerst dat ik erin geslaagd was een roos te creëren. Maar het is andersom. Zij creëert mi. Ze doet mij anders kijken naar mensen en dinge. Ik zie van alles wat ik vroeger niet zag. Zij groeit in mij en ik wordt kleiner." Toen zweeg je en keek dwars door mij heen naar een Verte, een Aanwezigheid, die niet kon worden benoemd. deze roos heeft jou inderdaad gekozen, Jef. Ze had jou al gezien voor jij haar zag. En dat was voor jou een ontdekking die jou als mens diep beroerde. Het was dan ook jouw diepste wens om deze ervaring met veel mensen te delen. Ze werd een roep in jou, een sturende kracht, een perspectief. Als ik naar haar kijk, zal ze me steeds herinneren aan je blik op de Verte, aan dat Grote dat ons allen omarmt en met elkaar verbindt. Vaarwel, Jef, en bedankt in naam van Poustinia. Huguette.
ter gelegenheidvan Jef's heengaan naar de Verte op 23 februari 2008 |
||
De roos die door haar geur de koning betoverde. In een land, hier heel ver vandaan, leefde er een rijke koning, die een prachtige rozentuin bezat. De koning had veel gereisd en van overal bracht hij prachtige rozen mee, allen van elkaar verschillend in kleur en vorm. Telkenmale als hij door een roos betoverd was en in de ban geraakte van haar schoonheid, deed hij er alles voor om haar in zijn bezit te krijgen. Daarna gaf hij haar een zorgvuldig plekje in zijn tuin tussen de andere rozen. De rozentuin was spiraalsgewijze aangelegd rondom een middelpunt waar zich een bron bevond. Bij de bron was een stukje grond voorzien voor de roos die voor de koning zijn aanvoelen thuishoorde op die plek. Deze roos had hij nog nergens aangetroffen. Hij was er echter diep in zijn hart zeker van dat hij haar tussen duizenden zou herkennen. Vele tuin lieden waren aangesteld om met zorg en toewijding deze grote rozentuin te verzorgen. Talloze adellijke bezoekers hadden hun lof en bewondering laten blijken voor zoveel schoonheid. De koning hield erg veel van zijn tuin. In de loop der jaren had hij de taal der rozen leren spreken. Hij deelde met hen zijn diepste geheimen, zijn verlangens en zijn dromen. Hij hield ervan bij het ochtendgloren tussen zijn rozen te wandelen en de kristallen dauwdruppels te zien glinsteren op hun zachte, viltige blaadjes. ‘s Avonds bij het maanlicht, gezeten aan een grote eiken tafel in de torenkamer van zijn paleis schreef de koning gedichten die aan zijn rozen waren gewijd. Daarna zette hij de tekst op muziek. In de stilte van de avond weerklonken in het paleis zijn weemoedige liederen, die door zijn diepe warme stem gedragen werden. Toch was de koning niet gelukkig. Hij was eenzaam. Hij verlangde naar een gemalin, met wie hij zijn liefde voor rozen kon delen. Hij had meer dan eens een prinses ontmoet die in zijn gunst probeerde te komen, maar nooit had hij de diepe herkenning ervaren waar hij naar verlangde in het diepst van zijn ziel. Op een dag werd er door een jonge koerier een pakje naar het paleis gebracht. Een mysterieus klein pakje, gewikkeld in hertenleder. Toen de koning het pakje opende, trof hij in het doosje, dat bekleed was met rood fluweel, een heel klein flesje aan. Toen hij de stop van het flesje deed, kwam hem de heerlijke geur van een roos tegemoet, een geur die hen volkomen onbekend was. Urenlang staarde hij naar het flesje, rook er af en toe eens aan en vroeg zich nieuwsgierig af waar zich toch deze roos bevond, waarvan de geur zo betoverend was. Dagenlang herhaalde hij hetzelfde ritueel in de hoop dat hem iets duidelijk zou worden. Deze geur zette hem ook aan tot dichten en musiceren. Naargelang de dagen verstreken, voelde hij hoe zijn hart zich opende voor deze vreemde roos, die hij niet kende. Hij begon erover te dromen en overdag inspireerden de beelden hem tot schilderen. Het ene schilderij na het andere ontstond uit zijn scheppende handen. Al spoedig moest in het paleis een afzonderlijke zaal worden ingericht om al de schilderijen in onder te brengen. Ieder die de zaal betrad, merkte op dat het er zo lekker rook. De roos die de koning in alle mogelijke composities geschilderd had, verspreidde mild haar geur. Het was wonderlijk om dit te beleven. Het was een geur, beweerden de bezoekers, die aan je bleef hangen en die het hart opende van ieder die je ontmoet. Op een dag, totaal onaangekondigd, strompelde er een heel oud vrouwtje de zaal binnen. Ze liep er een tijd mompelend rond; ze kloeg over de vreemde geur die in de zaal hing en ze verdween daarna even mysterieus als ze gekomen was. Maar met haar verdween ook de geur van de schilderingen. De koning kreeg een schok toen hij dit vaststelde. Na enkele dagen kon hij zich de geur niet meer herinneren. Radeloos greep hij naar het doosje, waarin zich het flesje bevond. Maar het doosje was leeg, het flesje was eveneens verdwenen. De koning werd door een diep verdriet overmand. ‘s Anderdaags bij het ochtendgloren, na een volle nacht tobben en treuren gaf de koning aan zijn dapperste ridders het bevel de vreemde oude vrouw, die hij van diefstal verdacht, te zoeken. Vele ridders reden tevergeefs uit en keerden ontmoedigd naar het paleis terug, zonder ook maar een spoor van de vrouw gevonden te hebben. Eén ridder echter zette moedig door en weigerde naar het paleis terug te keren vóór hij het antwoord gevonden had van dit raadselachtige gebeuren. Hij verliet de bekende wegen en bereikte na dagen zwerven een donker bos, dat bijna ontoegankelijk was. Met zijn zwaard baande hij zich een weg, verwondde zich hierbij een paar keer, maar bereikte uiteindelijk een heel oude eik, waar hij van uitputting in slaap viel. Toen hij ‘s morgens bij het opgaan van de zon wakker werd, verzuchtte de eik: “Wat kom jij hier zoeken?”. De ridder schrok even en antwoordde toen: “Ik zoek de geur van een roos die door een oude vrouw gestolen is.” “Wie is je opdrachtgever?”, vroeg de eik. “De koning”, sprak de ridder. De eik vervolgde met een gezaghebbende stem: “Breng de koning zo snel mogelijk naar hier, volg de witte vogel die voor je uitvliegt. Zo zal je sneller reizen.” De ridder reed zonder moeite recht naar het paleis terug en verwittigde meteen de koning die even schrok van het idee zomaar zonder gevolg in zijn eigen koninkrijk op tocht te moeten gaan. Hij maakte zich echter reisvaardig, besteeg zijn witte paard en volgde de ridder tot bij de eik. De hele reis vloog de witte vogel voor hen uit en op de plek aangekomen streek de vogel neer op een grote brede tak van de oeroude boom. “Waarvoor ben je hier?”, sprak de eik tot de koning. “Voor de geur van een roos, die me heel nauw aan het hart ligt”, antwoordde de koning vol verwachting. “Volg je hart”, sprak de eik, “en op een dag zal je haar vinden.” De ridder en de koning vervolgden hun weg. Een eindje verder zat een bedelaar, die honger had en hen om eten vroeg. De koning liet twee zakken vol brood, wijn en vruchten bij hem achter. De bedelaar bedankte hem en gaf hem een witte glanzende steen in de vorm van een zeshoek. Daarna vervolgden de koning en de ridder hun weg en bereikten een heel oud eikenbos waar het vrij donker was en ze gingen stapvoets verder. Toen ze een plek bereikten waar twee oude eiken met hun kruinen elkaar raakten, hoorden ze een diepe zucht. Ze keken verbaasd om zich heen en vonden aan de voet van een eik gezeten, een hele oude haas. Hij keek diep uit zijn ogen en hij had lange snorharen. De koning richtte het woord tot hem en sprak: “Heer Haas, wat is er met jou aan de hand?” “Ik ben mijn bril kwijt”, zei de haas. “Dat is erg. Nu kan ik mijn kleinkinderen deze avond niet voorlezen”. De koning aarzelde niet en gaf hem het vergrootglas dat hij immer op zak had om zijn rozen van dichtbij te bekijken. De haas was helemaal verrukt en begon enthousiast met zijn ene poot op de grond te stampen. Heel snel verschenen er van alle kanten kleine haasjes, die elk een ei bij zich hadden. De koning nam de eieren in ontvangst en verbaasde zich over dit vreemde geschenk. “Dat komt nog wel van pas,” zei de oude haas. “Vaarwel!” Razendsnel verdween het hele gezelschap. De koning en de ridder reisden verder en bereikten een oude hut. Voor de deur lag een grote hond rustig te slapen. De koning wilde zich net naar de deur begeven, toen hij de schorre stem van een uil hoorde. “Dit is heel ongepast om zomaar een huisje binnen te stappen. Wat zoeken jullie hier?” “De geur van een roos”, zei de koning. “Heb je al een naam bedacht voor je roos als je ze vindt?”, vroeg de uil. “Nee,” zei de koning. “Wel,” zei de uil, “ga maar rusten met je rug tegen die eik daar en verzin maar een naam. Daar heb je een goede reden voor.” De hele nacht piekerde de koning over een naam voor zijn roos, maar kon er geen vinden. Toen ‘s morgens het licht van de zon op het huisje viel, onderzocht de koning het zorgvuldig. Boven de deur, op de oude eiken planken waarmee het huisje opgetrokken was, zag hij in het hout gebrande letters die het woord poustinia vormden. Dit is misschien niet eens zo’n gekke naam, bedacht de koning. Hij gleed met zijn klamme vingers over de letters en zag toen dat de hond opstond en met zijn kop tegen de deur duwde die krakend openging. In een berookte ruimte zag hij bij een roodgloeiend fornuis de gestalte van een heel oude vrouw, die niet eens omkeek toen de koning de hut binnenstapte. “Wat kom je hier doen?” vroeg de vrouw, zonder zich om te draaien, terwijl ze ijverig in haar grote ketel roerde. “Ik zoek de geur van een roos,” zei de koning, “en ik vermoed dat jij er iets van weet.” “Wat heb je ervoor over,” vroeg de vrouw op ietwat strenge toon. “Alles,” antwoordde de koning. Nu draaide de vrouw zich om, peilde diep in de ogen van de koning om te voelen of hij de waarheid sprak en zei toen met warmte in haar stem: “Blijf hier zeven jaren lang. Leer de lessen van het woud. Alles waar je liefde aan schenkt, kan je niet bezitten. Het maakt deel uit van jou.” De koning schrok even, maar bleef trouw aan zijn woord. De oude vrouw vertrok en liet hem haar hut en de trouwe hond na. De ridder nam afscheid en keerde terug naar het paleis om daar de belangen van de koning te behartigen. Zeven jaren lang leidde de koning een stil en teruggetrokken leven temidden van de eiken, de wilde dieren en de planten. Op wonderbaarlijke wijze voedde hij zich met de eieren van de hazenfamilie, die zich steeds verder vermenigvuldigden. Hij ontdekte zeldzame planten, experimenteerde met vreemde brouwsels en drong door tot de diepste geheimen van de natuur die hij mettertijd ontraadselde. Hij werd wijs en grijs. Op een dag, totaal onverwacht, kwam hem vanuit één van zijn brouwsels de geur van een roos tegemoet. Toen wist hij dat het tijd was om terug te gaan. Hij goot zijn brouwsel in een heel klein flesje en borg het zorgvuldig op. Op de morgen dat hij vertrok voegden de witte vogel en de hond zich bij hem om hem te vergezellen. Zo baande hij zich moeiteloos een weg door het dichtbegroeide woud en verdwaalde hij niet. Toen hij zijn paleis naderde, zag hij dat het er heel welvarend uitzag. Er wapperde een vlag op één van de torens, waarop een prachtige roos geborduurd was. Ook hier kwam de geur van de roos hem tegemoet. Hij was één en al verbazing toen de trouwe ridder hem bij de paleispoort opwachtte en beweerde van zijn komst op de hoogte te zijn. Hij wilde meteen naar zijn rozentuin toe die in volle bloei stond. Hij had nog steeds de zeshoekige steen bij zich die de bedelaar hem eens had gegeven. Hij liep naar het midden van de tuin waar zich de bron bevond en begroef de steen in de grond die voor zijn roos bestemd was. “Nu is mijn opdracht volbracht, ridder,” verzuchtte de koning. “Ik bedank je voor je goede zorgen en ik benoem je tot hofmeester. Voor mij kan mijn grootste wens in vervulling gaan. Ik word tuinman en ik ga mijn rozen verzorgen.” De koning betrok zijn torenkamer en werkte elke dag van ‘s morgens tot ‘s avonds laat in zijn rozentuin. Op de plaats waar hij de steen had begraven, liet hij elke ochtend bij het opkomen van de zon enkele druppels uit het flesje op de aarde vallen. Na zeven dagen verscheen er een plantje, dat meteen de geur om zich heen verspreidde die ook het flesje bevatte. De koning voelde zich gelukkig. Hij wist dat zich het wonder voltrok waarop hij lang had gewacht. Het plantje groeide en groeide en op een dag verscheen de eerste knop van de roos. deze was zo teer, zo beeldig schoon dat de koning ontroerd op zijn knieën zonk. Op de twaalfde dag na zijn terugkeer in het paleis vloog de witte vogel de kamer van de koning binnen, streek op zijn schouder neer en wekte hem uit zijn diepe slaap. Deze kleedde zich snel aan, volgde de vogel naar de bron. Toen hij daar aankwam kwam de knop van de roos open. De koning voelde zich zielsgelukkig. Tranen van geluk gleden langs zijn wangen. Hij liet zich helemaal doordringen van haar wonderlijke geur. Het was toen dat plots uit het niets een zachte, warme stem weerklonk, die hem teder aansprak. “Ben ik diegene waar je al die tijd naar gezocht hebt?” Hij voelde een fluwelen hand zijn schouder beroeren. Hij keek om en zag een mooie vrouw die hem diep in de ogen keek. Ze was geheel in het blauw gekleed. In haar hand had ze een rozenknop van dezelfde roos die bij de bron groeide. Zijn hart vulde zich met liefde voor haar en hij herkende haar als zijn gemalin. Zij herkende zijn verlangen als haar verlangen, ze nam hem bij de hand en overhandigde hem de roos. “Dit is de roos van de eeuwige liefde, die niet in bezit neem,.” sprak de vrouw. “Haar naam is Poustinia.” Toen omarmde ze de koning en hij gaf zich aan haar warmte over. De geur van de roos omvatte hen beiden en ze verstrengelden zich met elkaar. Ze werden één. Toen ‘s avonds het maanlicht door de nachtelijke hemel brak, weerklonk een bekoorlijk liefdeslied dat de koning zong voor zijn gemalin. ’s Anderendaags echter bij het krieken van de dag, was het liefdespaar verdwenen. Op de plaats waar ze zich verenigd hadden lag een hoopje asse. Op de asse lag een zeshoekige witte steen, waarop te lezen stond: “Liefde laat zich niet bezitten.”Nu bloeide de rozenstruik in volle pracht en haar geur verspreidde zich tot ver buiten het paleis in geheel het koninkrijk. Tot op de dag van vandaag waakt de trouwe ridder over het paleis van de koning. Hij is een eervol en waardig man, die alom geprezen wordt om zijn zorg en toewijding. In zijn hart is hij trouw aan zijn koning gebleven. Hij wordt de ridder van de eeuwige liefde genoemd. Op de plaats bij de bron waar de rozenstruik groeit, staat een plaatje met haar naam: Poustinia.Wie er komt wordt doordrongen van haar lekkere geur. Zijn hart opent zich, hij herinnert zich wie hij is in het diepste van zijn ziel en hij versmelt met haar. Dit is de geschiedenis van een roos die door haar geur het hart van een koning won, die er alles voor over had om haar te vinden. De ridder van de eeuwige liefde, die door dik en dun zijn koning trouw bleef, waakt nog steeds over haar. Hij is degene die weet wat jij graag weten wil, het geheim van de eeuwige liefde. Huguette |
||
Jef Orye, rozenkweker, is van in zijn prille jeugd tussen de rozen “opgekweekt”. In 1983, hetzelfde jaar dat Poustinia als centrum startte, begon hij met zijn eerste kruiswerk. Toen begon voor hem een tijd van studie, van selecteren en oculeren. Dit moeizame werk beëindigde hij in 1992. Datzelfde jaar nog werd de roos, die door hem gedoopt werd met de naam Poustinia, naar een concours gestuurd in Parijs, Lyon en Den Haag. Jef zelf getuigt over dit hele proces het volgende: “Zeer belangrijk in dit werk is de vraag: hoe gedraagt en ontwikkelt de plant zich. Het is een werk van jaren. In dit geval 9 jaar voor ik zelf overtuigd was. De eerste Poustinia rozen werden aangeplant in de tuin van Poustinia. Ze weerstond aan het strenge klimaat.”
Poustinia
huis voor innerlijke groei en herbronning
Rue du Centre 108 - 6672 Beho E-mail: info@poustinia.be Telefoon: 080 -517087